Dit is het moment van de start waarbij je relatief nog super veel tijd hebt om na te denken over wat je moet doen. Maak hier dan ook goed gebruik van! Alles wat je nu al goed neerzet hoef je tijdens het inzakken niet meer aan te denken. Je naar de start houding is dus misschien wel de belangrijkste van allemaal. Het doel is om alles zo goed mogelijk voor te bereiden voor je eerste stap.
Meeste druk op voorste been (ongeveer 70% om 30%) → voor je gevoel hang je bijna over je voorste voet heen. Hierdoor kan je goed achter je eigen lichaam aan rennen.
Zet je voorste schaats een klein beetje op de binnenkant neer. Hierdoor sta je steviger en hoef je tijdens het open draaien niet ook nog naar de binnenkant toe om te schakelen.
Voorste knie zo ver mogelijk naar voren duwen, je maakt dus een hele kleine enkelhoek
Kleine ijs-ijzer hoek maken met het achterste been, je duwt vanuit je heup je knie naar het ijs toe waardoor je schaats zo dicht mogelijk boven het ijs hangt.
Zorg ervoor dat je hak van je achterste voet in lijn staat met je heup. Als je te veel gewicht in het midden van je schaats hebt staan glijdt je achterste been weg zodra je voorste been van het ijs komt
Armen dicht bij je houden en actief staan. Span alles in je lichaam aan zodat je snel op het startschot kan reageren. Door je armen dichtbij te houden zorg je ervoor dat je je eerste stap sneller kan maken. Je armbeweging is namelijk één van de belangrijke aspecten hiervan. Je armen geven namelijk altijd je ritme aan. Dus hoe verder je arm van achter moet komen hoe langer het duurt voor je je eerste pas kan maken na het startschot.
Heupen, schouders en hoofd wijzen naar voren, dit is tenslotte de richting waar alles uiteindelijk naar toe moet.
Klaar houding (inzakken)
Wanneer je een goede naar de start houding hebt hoef je eigenlijk alleen nog maar in te zakken. Hierbij zak je ten opzichte van je naar de start houding recht naar beneden.
Eerste 4 stappen
De start is op te delen in verschillende fases. Dit is de eerste echte fase. In deze fase ben je aan het rennen. Tijdens het rennen maak je in korte tijd veel snelheid, dit kan je alleen niet lang volhouden waardoor het belangrijk is om optijd om te schakelen naar het schaatsen. Meestal ren je de eerste 4 (tot 6 passen), ga tijdens het starten deze stappen niet tellen maar probeer er een gevoel voor te krijgen.
Heupen, schouders en hoofd wijzen naar voren, dit is tenslotte de richting waar alles uiteindelijk naar toe moet.
Trek je knieën snel en krachtig op richting je borst en plaats je schaatsen steeds opengedraaid. Doordat je de schaats opendraait zet je als het ware naar achter af.
Plaats je hak in lijn met je heup. Hierdoor heb je ruimte om te rennen en kan je goed kracht leveren zonder uit balans te raken. Je maakt dus redelijk brede stappen.
Maak korte stappen naar voren toe, hierdoor zorg je weer dat je lichaam voor je schaatsen blijft en je dus achter je eigen lichaam aan kan rennen.
Overgang naar het schaatsen
Je gaat in deze fase geleidelijk over van het rennen naar schaatsen. Dit is ongeveer de periode vanaf stap vier tot stap 8. Je zakt geleidelijk vanuit je billen steeds meer naar de echte schaatshouding. Hierbij plaats je de schaats steeds meer recht naar voren en zet je meer zijwaarts af in plaats van naar achter. Schakel dus niet opeens om van rennen naar schaatsen, hier zit echt een overgangsfase in.